Ellen Jansegers // verschenen in De Morgen op 23 mei 2024
‘People are strange when you’re a stranger’, zingt Jim Morrison over het ongemak dat je kan voelen in de omgang met onbekenden. In onze westerse wereld lijkt praten met vreemden soms ongewenst en zinloos, maar toevallige conversaties hebben wel degelijk hun nut.
Woensdagnamiddag, vier uur. Op het balkon van het tropisch warme bad tuur ik zwetend naar mijn zwemmende dochter. In plaats van in het water te springen maakt ze gekke bekken naar haar vriendinnetje. Ze kent het meisje een halfuur, maar vanop dit balkon lijkt het alsof ze al jaren hartsvriendinnen zijn.
Ik mijmer over hoe het komt dat wij, volwassenen, dit spontane connecteren verleerd zijn. Gluur stiekem naar de vrouw naast mij, de mama van mijn dochters nieuwe hartsvriendin, die daarnet naast me in de kleedkamer stond. Ze tokkelt op haar telefoon, dat venster op de wereld dat verbindend contact doet verstommen. Alsof ze mijn blik voelt, kijkt ze op van haar schermpje. Snel richt ik mijn ogen weer richting zwembad. Nee, bedenk ik me terwijl ik vol bewondering naar mijn dochter kijk, ik weet niet of ik dit nog kan.
PATROON
Door de jaren heen ontwikkelen we een terugkerend patroon in onze interactie met onbekenden, lezen we in The Economist. Sinds de jaren 90 – mede dankzij kindontvoeringen door u weet wel wie – leren we onze kinderen om geen gesprekken met vreemde volwassenen aan te knopen. Groeien kinderen de adolescentie in, dan slaan ze die goede raad, net als andere goedbedoelde wijsheden, gezwind de wind in. Jongeren voelen dan een onbedaarlijke drang om te socialiseren met mensen van diverse pluimage; en dan vooral met hen die niet de goedkeuring van de familie wegdragen.
Naarmate we ouder worden, lijken we die onstuimigheid in onze ontmoetingen te verleren. We vinden een levenspartner, stichten een gezin en krijgen vaak zelf kinderen. Onze tijd wordt schaars en nieuwe vriendschappen ontstaan vaak uit het delen van de zorg voor onze kinderen. Professionele verplichtingen nemen toe, zelfs als de ouderlijke afnemen, en gaandeweg verliezen we die jeugdige sturm-und-drang naar onvoorziene liaisons.
Dat wordt omschreven in drie boeken over het thema. In Hello Stranger beschrijft Will Buckingham een zoektocht naar gastvrijheid na het verlies van zijn vrouw. Als rouwproces trekt hij de wijde wereld in, op zoek naar levensinzichten via ontmoetingen met onbekenden. Joe Keohane onderzoekt in The Power of Strangers wat er gebeurt als we onze achterdocht achter ons laten en die onbekende toch aanspreken. Hij geeft ook praktische tips over hoe we dat kunnen doen. Fractured van Jon Yates gaat dan weer uit van de idee dat hoe meer tijd we spenderen met mensen die niet op ons gelijken, hoe begripvoller, toleranter en vriendelijker we worden.
WANTROUWEN
Hoopvolle premisses in tijden van internetbubbels waarin we enkel onze eigen mening en wereld terugvinden. Maar aan de balkonrand van het zwembad vraag ik me zwetend af wat het in godsnaam voor nut heeft. Waarom ik überhaupt de moeite zou doen om te praten met een vrouw die ik van haar noch pluimen ken, en, waarschijnlijk, na de lesreeks van vijf woensdagmiddagen nooit meer tegenkom. Waarom ik hier sociale energie aan zou spenderen.
Misschien komt het door covid. Vreemden waren niet alleen te wantrouwen, ze werden – letterlijk – een potentiële bron van dood en verderf. Hadden onze ouders ons geleerd terughoudend te zijn naar vreemden, werd het ons nu door de overheid verboden nog met hen om te gaan. Onverwachtheid werd een misdrijf waarvoor je beboet kon worden. Alle toevalligheid werd door de wet in de kiem gesmoord.
Niet iedereen kon met dat verbod leven, getuige de vele lockdownfeestjes van toen. Dat Charlotte uit het tv-programma De mol haar lief op zo’n feestje leerde kennen, toont aan hoe diep onze drang naar toevallige ontmoetingen reikt, en naar de noodzaak ervan. Zonder toevalligheid geen nieuwe relaties, geen gezinnen die daaruit voortvloeien, geen vernieuwing in de samenleving.
Misschien heeft het dan toch zin, besef ik met de gsm’ende moeder naast me. Alsof ze voelt wat ik denk richt ze weer haar blik op. En dan, voor ik het besef, ontspint zich toch een gesprek. Ongemakkelijk in het begin, over de leeftijd van onze kinderen en andere smalltalk. Ik probeer het voorbeeld van mijn dochter te volgen. Naïef te blijven, geen verwachtingen of vooringenomenheid te koesteren. Ik weet niet goed of me dat lukt, maar algauw praten we honderduit. Verliezen de tijd uit het oog. Merken een leeg zwembad op, en hollen lachend naar de kleedkamer. Samen fouten maken schept een band. Oef, ook zij is niet perfect.
En zo, rennend naar de kleedkamer, kom ik tot dezelfde conclusie als de drie auteurs. Dat betekenisvolle conversaties met onbekenden veel kan opleveren. Veel, als in nieuwe relaties en misschien wel een gezin, maar ook veel, als in herkenning en een gevoel van universele menselijkheid. En dat het een vaardigheid is die we moeten cultiveren, omdat ze anders verloren gaat. Een uitdaging in onze individualistische, gepolariseerde westerse wereld.
Dus als je straks op de trein zit, naar de kassa staat te schuiven in de supermarkt, of, net als ik, in een veel te warm zwembad naar je kroost staat te kijken, spreek de persoon naast je eens aan. En misschien merk je dan, net als ik, dat mensen niet zo vreemd zijn als ze lijken. Wat Jim Morrison ook beweert.